overleven en dood.

 Treur niet als ik er niet meer ben.
Ik heb mijn genen doorgegeven,
de liefde, ook toen het geen echte liefde was, bedreven
en alles al een keer gezegd
en alles al een keer geschreven.

De here heeft mij niet geroepen,
althans ik heb hem nooit gehoord,
geen hoop en taal noch teken, nee geen woord,
misschien is hij me misgelopen.
Maar ik leef dus na mijn dood niet voort.

En wie ik was, dat zie je in mijn kinderen,
in hen is nog een stuk van mij verweven.
Ik heb altijd getracht, hen het goede mee te geven.
Toch komen zij ook voor ’t kwaad te staan,
want ’t kwaad zal vanuit ’t kwaad ook verder leven.

Met mij raakt er ook weer een stukje kwijt,
een stukje, van mijn ouders meegekregen
en dingen uit het diepste van mijn ziel, die ‘k altijd heb verzwegen.
Die neem ik mee naar het verleden
en niemand komt dat stuk van mij meer tegen.

Huil niet, als ik er niet meer ben,
want ik kan je tranen niet meer drogen.
En het verdriet hoort bij het leven, ik blijf nu onbewogen.
Kijk me dan aan, ik ben het niet,
je ziet de dood in de ogen.

Babbelegoegje. 9 mei 2010

Nachtmens-Anti climax

GEDICHTENDAG. Nacht

ik ben te nuchter om me te verliezen
in loze woorden, ‘k blijf nu graag bij zinnen.
Ik zal hem met mijn wellust niet vermaken.
Ik laat me gewillig strelen, maar zal niet in katzwijm raken
 
’t is het verschil van dag en nacht,
het is te laat nu om hem te beminnen.
De volle maan beschijnt zijn ronde billen.
Ik maak hem nog niet wakker, maar ik zou wel willen
 
Voor hem is ’t al vandaag, voor mij nog ‘morgen.
Ik worstel met gevoelens diep van binnen,
wanneer hij met zijn handen langs mijn lichaam glijdt.
Het windt me op, maar hij heeft nu geen tijd
 
Nog eventjes…dan gaat zijn wekker af.
 Ik ben weer laat en hij moet vroeg beginnen
en om een anticlimax te voorkomen,
draai ik me om en zoek hem in mijn dromen.

                                               Babbelegoegje    30-01-2011

Dit is een gedichtje, wat ik heb geschreven voor de gedichtenweblogdag van het VKblog.

gebedje van een hoer

O lieve heer, ik ben een arme ziel,
niet uit uw hand ontvangen, maar geboren
mijn moeder is haar maagdelijkheid verloren,
toen ze eens op een goddelijk lichaam viel.

Dat god’lijk lichaam, dat was dus mijn vader,
helaas heb ik hem zelf nog nooit gezien,
mijn arme moeder ook niet meer, sindsdien.
Maar daarom is het niet, dat ik u benader.
 
Nee, eigenlijk wil ik u alvast vragen,
 mijn goedgelovigheid in aanmerking genomen,
of ik ook na mijn dood bij u mag komen,
 zo u dat wilt, zal ‘k u dan ook behagen.
 
Kijk, ’t loopt natuurlijk aardig vol daarboven,
met al die rampen, oorlog, hongersnood.
Kan ik vast reserveren voor mijn dood?
Dan zal ik vanaf nu in u geloven.
 
Ik heb wel eens gevloekt, dat spijt mij zeer,
maar dat moet u mij maar niet kwalijk nemen,
ik werkte me wel eens in de problemen
en dan had ik het eventjes niet meer.
 
Trekt u zich dat maar niet persoonlijk aan.
In liefdeswerk heb ik me wel bewezen,
ik ben al vaak de hemel in geprezen.
En schietgebedjes heb ik ook gedaan.

Mijn hardheid is ook eigenlijk maar schijn.
Dus, als u straks een plekje voor mij heeft,
maar niet te snel, ‘k ben nog niet uitgeleefd,
dan zal ik u voor eeuwig dankbaar zijn.

Babbelegoegje, 17 sept. 2011